WIE DENK JIJ DAT JE BENT?

 

Afgelopen zomer hebben we veelvuldig op gewone parkeerplekken gestaan. Geen officiële camperplaatsen. Het werd gedoogd. Dan overnachten we daar een paar nachten om vervolgens weer verder te trekken.

Fraaie ruime plekken bijvoorbeeld in het bos of aan het strand hebben onze voorkeur. En daar waar we regelmatig alleen staan, zijn er ook plekken waar andere camperaars neerstrijken. Hierdoor ontstaat een soort kampje. En elk kampje heeft zijn eigen bewoners.

Paradijsvogels waar we al gauw een specifieke naam voor bedenken. Op deze wijze verbinden we ons tijdelijk met onze medebewoners.

Zo ook op dit kampje. Pal aan het strand, naast een restaurantje met uitzicht op zee.
Verderop naast ons Meneer Maori. Een man van midden vijftig. Een royale buik rijkelijk beschilderd met Maori tekeningen. Het zal ons niets verbazen wanneer deze avonturier zich op originele wijze heeft laten tatoeëren in de jungle in zijn jonge jaren. Een zéér pijnlijk proces kan ik je zeggen.

In de hoek rechts tegen de bosrand aan, Mr.Tanga. Een ranke Fransman met een té bruin en té rimpelig velletje van het vele zonnebaden. Wat hij normaliter op nudistische wijze doet. Althans, dat is onze conclusie.
Omdat we ons niet op een naaktstrand begeven draagt Mr.Tanga voor de gelegenheid een broekje. Weliswaar een héél klein broekje. Van zijn vrouw.
Want als nudist heb je geen zwembroek en aangezien hij nu is aangewezen op het dragen van badkleding, grist hij iets uit de kast van zijn vrouw.
Hij voelt zich er prima bij. Het kleine broekje staat strak om zijn smalle heupen en is bedrukt met paarse bloemetjes.

Het is zonnig en warm.
Ik ben in Joris aan het werk, John wandelt langs het strand. Ineens hoor ik Mr. Tanga iets in het Frans bij de bus roepen. In zijn stem klinkt iets zorgelijks en hij is duidelijk op zoek naar iets. Ietwat geïrriteerd steek ik mijn hoofd om de deur naar buiten.

Druk gebarend herhaalt hij zijn vraag. Uit het gebrekkige Frans dat ik beheers, maak ik op dat hij zijn kleine hondje kwijt is en vraagt hij mij of ik deze gespot heb. Ik knik nee en wil terug naar mijn werk.
Maar Mr. Tanga laat zich niet zomaar wegsturen. Terwijl hij bukt, onderzoekt hij de onderkant van onze bus. Ja, denk ik dan, dit broekje is echt uit de collectie van zijn vrouw.

Terwijl ik weer plaats neem in Joris en Mr. Tanga inmiddels de struiken achter onze bus af zoekt, hoor ik gemiauw. Een benauwd geluid. Verbeeld ik het me? Wéér hoor ik het en het klinkt toch echt als een kat in nood.

Dan staat Mevrouw Tanga druk gebarend midden op het kampje. Ik stap uit en vraag haar wat ze bedoelt; “Un petit chien ou un petit chat?”
Het blijkt om de poes van Mr. Tanga te gaan en enthousiast wijs ik naar de struiken.

Daar struint Mr. Tanga de struikjes af en Mevrouw Tanga volgt zijn voorbeeld. Gerust op een goede afloop hervat ik mijn werk. Dan blijft het stil. Mooi, de rust is wedergekeerd.

Dan, nog luider als daarvoor, snijdt een wanhopig kattengejank door mijn ziel. He, hoe is het mogelijk? Is kat nog niet in ’t bakkie? Zuchtend stap ik naar buiten en kijk ik naar links. Niets meer te zien van de driftige zoekactie maar het gejank houdt aan. Het kamp is leeg. Het is duidelijk dat ze de zoektocht hebben gestaakt maar Poes is nog in nood.

Ik loop naar de rand van de struiken, ga door mijn hurken en loer tussen de struiken door. Al speurend op zoek naar Poes die zich duidelijk in een benarde positie bevindt. De struiken zijn stekelig en dicht begroeid. Dan kijk ik in twee grote gele ogen vol paniek. Le petit chat!

De katte ogen smeken me om hulp en het hulpbehoevende diertje begint nog harder te miauwen. Met mijn stem lok ik de poes naar de uitgang van zijn benarde positie. “Kom maar poes, deze kant op, hier lonkt de vrijheid”. Poes zit vast. Muurvast. Is in shock en ziet geen enkele mogelijkheid om zich te bewegen. Ik zie geen andere optie dan een nogal radicale reddingsactie uit te voeren. Zonder nadenken steek ik mijn rechterarm door de stekende struiken en grijp Poes in haar nekvel.

Ik verwacht een strijd maar die komt niet. Poes geeft zich over. Totaal. Ik hou mijn adem in en trek poes in een enkele ruk door de netelige struiken heen. Dan druk ik haar tegen mijn borst en spreek haar troostend toe.
Poes laat het over zich heen komen en mijn hart bonkt. Van de angst van Poes maar ook van mijn heldhaftige daad. Zo, dat is gefikst. Naast Meneer Maori en Mr. Tanga hebben we nu ook een Heldin van het kamp.

Al gloeiend en met een grote zaligmakende glimlach loop ik naar de camper van het Franse stel. Ze zitten te lunchen.
Wanneer Mevrouw Tanga mij de hoek om ziet komen, lichten haar ogen op. Ze springt op van haar stoel. Met ontroering in haar ogen, haar armen gespreid rent ze me tegemoet.
“Mon amour, mon amour!”kirt ze uit.
Ja, denk ik dan vol trots, ik ben echt de Heldin van het kamp.

Wanneer ze voor me stilhoudt, grist ze Poes uit mijn armen. Ze gunt me geen blik waardig, draait zich om naar Mr. Tanga die al kauwend niet eens de moeite neemt om op te staan en smijt Poes in de camper. Dit is het. Happy end.
Verstomd blijf ik staan.

Langzaam komt het besef dat ze vol was van de terugkeer van Poes. Niet van mij. Of van mijn zo bedachte heldhaftig optreden. Nee, Poes is terecht en dat is dat.

Ik draai me om en dan barst ik uit in een aanstekelijke lachbui. Wie denk ik eigenlijk wel dat ik ben? Welke verwachtingen had ik en waarom die hunkering naar lof en erkenning?

Al lachend vertel ik John over mijn hachelijke avontuur.
Vooral benadruk ik het feit dat ik dacht het helemaal gemaakt te hebben hier op het kampje. Hij lacht hartelijk mee.
John zegt wel onder de indruk te zijn. Van mij. Want ik ben zijn Heldin zegt hij. Hij noemt me de Heldin van het kamp. Ook jij krijgt een bijnaam, zegt hij gekscherend.

De boodschap is echter; het is namelijk precies goed.
Jij bent precies goed zoals je bent. Of je nou de held wil uithangen of niet. Het maakt namelijk niet uit hoe de ander jou ziet. De ander hoeft jou niet te bevestigen.

En zolang je blijft zoeken naar erkenning en bevestiging zul je telkens ontdekken dat je het nooit zult krijgen. Sterker nog, je hebt het niet (meer) nodig. De ander hoeft jou niet te bevestigen in wat je wil zijn. Of wat je denkt te zijn. Je kunt alles zijn. En niets. Het maakt niet uit.

Het gaat uiteindelijk om jouw zelfbeeld.
En zolang je weet wie en wat je bent en vooral wie en wat je niet bent, is bevestiging niet nodig. Dus wees vooral wie je wil zijn en streef er elke dag naar te zijn wat je wil zijn. Zolang je maar niet denkt dat je het al bent.

Zo blijf je namelijk streven naar de beste versie van jezelf!